interpelleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of interpelleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: interpelleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: interpellerend
Past participle - Verleden deelwoord: geïnterpelleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikinterpelleer
jijinterpelleert
hijinterpelleert
wijinterpelleren
jullieinterpelleren
zijinterpelleren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geïnterpelleerd
jijhebt geïnterpelleerd
hijheeft geïnterpelleerd
wijhebben geïnterpelleerd
julliehebben geïnterpelleerd
zijhebben geïnterpelleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikinterpelleerde
jijinterpelleerde
hijinterpelleerde
wijinterpelleerden
jullieinterpelleerden
zijinterpelleerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geïnterpelleerd
jijhad geïnterpelleerd
hijhad geïnterpelleerd
wijhadden geïnterpelleerd
julliehadden geïnterpelleerd
zijhadden geïnterpelleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal interpelleren
jijzult interpelleren
hijzal interpelleren
wijzullen interpelleren
julliezullen interpelleren
zijzullen interpelleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geïnterpelleerd hebben
jijzult geïnterpelleerd hebben
hijzal geïnterpelleerd hebben
wijzullen geïnterpelleerd hebben
julliezullen geïnterpelleerd hebben
zijzullen geïnterpelleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou interpelleren
jijzou interpelleren
hijzou interpelleren
wijzouden interpelleren
julliezouden interpelleren
zijzouden interpelleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geïnterpelleerd hebben
jijzou geïnterpelleerd hebben
hijzou geïnterpelleerd hebben
wijzouden geïnterpelleerd hebben
julliezouden geïnterpelleerd hebben
zijzouden geïnterpelleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijinterpelleer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information