insmeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of insmeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: insmeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: insmerend
Past participle - Verleden deelwoord: ingesmeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksmeer in
jijsmeert in
hijsmeert in
wijsmeren in
julliesmeren in
zijsmeren in

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb ingesmeerd
jijhebt ingesmeerd
hijheeft ingesmeerd
wijhebben ingesmeerd
julliehebben ingesmeerd
zijhebben ingesmeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksmeerde in
jijsmeerde in
hijsmeerde in
wijsmeerden in
julliesmeerden in
zijsmeerden in

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad ingesmeerd
jijhad ingesmeerd
hijhad ingesmeerd
wijhadden ingesmeerd
julliehadden ingesmeerd
zijhadden ingesmeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal insmeren
jijzult insmeren
hijzal insmeren
wijzullen insmeren
julliezullen insmeren
zijzullen insmeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal ingesmeerd hebben
jijzult ingesmeerd hebben
hijzal ingesmeerd hebben
wijzullen ingesmeerd hebben
julliezullen ingesmeerd hebben
zijzullen ingesmeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou insmeren
jijzou insmeren
hijzou insmeren
wijzouden insmeren
julliezouden insmeren
zijzouden insmeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou ingesmeerd hebben
jijzou ingesmeerd hebben
hijzou ingesmeerd hebben
wijzouden ingesmeerd hebben
julliezouden ingesmeerd hebben
zijzouden ingesmeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsmeer in

Translations

  • smear, to spread (a surface) with a substance
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    bestrijken
    bedekken, besmeren
    oliën
    doorsmeren

    Sample Sentences

    Etymology

    From in + smeren.

    Additional Information