imponeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of imponeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: imponeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: imponerend
Past participle - Verleden deelwoord: geïmponeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikimponeer
jijimponeert
hijimponeert
wijimponeren
jullieimponeren
zijimponeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geïmponeerd
jijhebt geïmponeerd
hijheeft geïmponeerd
wijhebben geïmponeerd
julliehebben geïmponeerd
zijhebben geïmponeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikimponeerde
jijimponeerde
hijimponeerde
wijimponeerden
jullieimponeerden
zijimponeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geïmponeerd
jijhad geïmponeerd
hijhad geïmponeerd
wijhadden geïmponeerd
julliehadden geïmponeerd
zijhadden geïmponeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal imponeren
jijzult imponeren
hijzal imponeren
wijzullen imponeren
julliezullen imponeren
zijzullen imponeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geïmponeerd hebben
jijzult geïmponeerd hebben
hijzal geïmponeerd hebben
wijzullen geïmponeerd hebben
julliezullen geïmponeerd hebben
zijzullen geïmponeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou imponeren
jijzou imponeren
hijzou imponeren
wijzouden imponeren
julliezouden imponeren
zijzouden imponeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geïmponeerd hebben
jijzou geïmponeerd hebben
hijzou geïmponeerd hebben
wijzouden geïmponeerd hebben
julliezouden geïmponeerd hebben
zijzouden geïmponeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijimponeer

Translations

  • impress, ''(transitive)'' affect (someone) strongly and often favourably
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from French imposer + -eren. See: French 'imposer'.

    Additional Information