heisteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of heisteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: heisteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: heisterend
Past participle - Verleden deelwoord: geheisterd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikheister
jijheistert
hijheistert
wijheisteren
jullieheisteren
zijheisteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geheisterd
jijhebt geheisterd
hijheeft geheisterd
wijhebben geheisterd
julliehebben geheisterd
zijhebben geheisterd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikheisterde
jijheisterde
hijheisterde
wijheisterden
jullieheisterden
zijheisterden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geheisterd
jijhad geheisterd
hijhad geheisterd
wijhadden geheisterd
julliehadden geheisterd
zijhadden geheisterd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal heisteren
jijzult heisteren
hijzal heisteren
wijzullen heisteren
julliezullen heisteren
zijzullen heisteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geheisterd hebben
jijzult geheisterd hebben
hijzal geheisterd hebben
wijzullen geheisterd hebben
julliezullen geheisterd hebben
zijzullen geheisterd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou heisteren
jijzou heisteren
hijzou heisteren
wijzouden heisteren
julliezouden heisteren
zijzouden heisteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geheisterd hebben
jijzou geheisterd hebben
hijzou geheisterd hebben
wijzouden geheisterd hebben
julliezouden geheisterd hebben
zijzouden geheisterd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijheister

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information