happen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of happen

The word "happen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: happen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: happend
Past participle - Verleden deelwoord: gehapt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhap
jijhapt
hijhapt
wijhappen
julliehappen
zijhappen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gehapt
jijhebt gehapt
hijheeft gehapt
wijhebben gehapt
julliehebben gehapt
zijhebben gehapt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhapte
jijhapte
hijhapte
wijhapten
julliehapten
zijhapten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gehapt
jijhad gehapt
hijhad gehapt
wijhadden gehapt
julliehadden gehapt
zijhadden gehapt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal happen
jijzult happen
hijzal happen
wijzullen happen
julliezullen happen
zijzullen happen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gehapt hebben
jijzult gehapt hebben
hijzal gehapt hebben
wijzullen gehapt hebben
julliezullen gehapt hebben
zijzullen gehapt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou happen
jijzou happen
hijzou happen
wijzouden happen
julliezouden happen
zijzouden happen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gehapt hebben
jijzou gehapt hebben
hijzou gehapt hebben
wijzouden gehapt hebben
julliezouden gehapt hebben
zijzouden gehapt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijhap

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From hap (“bite”) + -en.

Verbs referencing "happen"

French happer.

Additional Information