haperen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of haperen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: haperen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: haperend
Past participle - Verleden deelwoord: gehaperd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhaper
jijhapert
hijhapert
wijhaperen
julliehaperen
zijhaperen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gehaperd
jijhebt gehaperd
hijheeft gehaperd
wijhebben gehaperd
julliehebben gehaperd
zijhebben gehaperd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhaperde
jijhaperde
hijhaperde
wijhaperden
julliehaperden
zijhaperden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gehaperd
jijhad gehaperd
hijhad gehaperd
wijhadden gehaperd
julliehadden gehaperd
zijhadden gehaperd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal haperen
jijzult haperen
hijzal haperen
wijzullen haperen
julliezullen haperen
zijzullen haperen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gehaperd hebben
jijzult gehaperd hebben
hijzal gehaperd hebben
wijzullen gehaperd hebben
julliezullen gehaperd hebben
zijzullen gehaperd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou haperen
jijzou haperen
hijzou haperen
wijzouden haperen
julliezouden haperen
zijzouden haperen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gehaperd hebben
jijzou gehaperd hebben
hijzou gehaperd hebben
wijzouden gehaperd hebben
julliezouden gehaperd hebben
zijzouden gehaperd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijhaper

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch haperen, of uncertain origin, but possibly from a derivation of Proto-Germanic *hamalōną (“to mutilate, hamper”). See: Proto-Germanic '*hamalōną'.

Verbs referencing "haperen"

French happer, German, old spelling hapern.

Additional Information