friemelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of friemelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: friemelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: friemelend
Past participle - Verleden deelwoord: gefriemeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfriemel
jijfriemelt
hijfriemelt
wijfriemelen
julliefriemelen
zijfriemelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefriemeld
jijhebt gefriemeld
hijheeft gefriemeld
wijhebben gefriemeld
julliehebben gefriemeld
zijhebben gefriemeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfriemelde
jijfriemelde
hijfriemelde
wijfriemelden
julliefriemelden
zijfriemelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefriemeld
jijhad gefriemeld
hijhad gefriemeld
wijhadden gefriemeld
julliehadden gefriemeld
zijhadden gefriemeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal friemelen
jijzult friemelen
hijzal friemelen
wijzullen friemelen
julliezullen friemelen
zijzullen friemelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefriemeld hebben
jijzult gefriemeld hebben
hijzal gefriemeld hebben
wijzullen gefriemeld hebben
julliezullen gefriemeld hebben
zijzullen gefriemeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou friemelen
jijzou friemelen
hijzou friemelen
wijzouden friemelen
julliezouden friemelen
zijzouden friemelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefriemeld hebben
jijzou gefriemeld hebben
hijzou gefriemeld hebben
wijzouden gefriemeld hebben
julliezouden gefriemeld hebben
zijzouden gefriemeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfriemel

Translations

  • fidget, to move around nervously
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    frutselen
    peuteren

    Sample Sentences

    Etymology

    Perhaps a variant of frommelen, through influence of wriemelen. Compare German friemeln, English fumble, Icelandic fálma. See: German, old spelling 'friemeln', English 'fumble', Icelandic 'fálma'.

    Verbs referencing "friemelen"

    German, old spelling friemeln.

    Additional Information