fluctueren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of fluctueren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: fluctueren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: fluctuerend
Past participle - Verleden deelwoord: gefluctueerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfluctueer
jijfluctueert
hijfluctueert
wijfluctueren
julliefluctueren
zijfluctueren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefluctueerd
jijhebt gefluctueerd
hijheeft gefluctueerd
wijhebben gefluctueerd
julliehebben gefluctueerd
zijhebben gefluctueerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfluctueerde
jijfluctueerde
hijfluctueerde
wijfluctueerden
julliefluctueerden
zijfluctueerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefluctueerd
jijhad gefluctueerd
hijhad gefluctueerd
wijhadden gefluctueerd
julliehadden gefluctueerd
zijhadden gefluctueerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal fluctueren
jijzult fluctueren
hijzal fluctueren
wijzullen fluctueren
julliezullen fluctueren
zijzullen fluctueren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefluctueerd hebben
jijzult gefluctueerd hebben
hijzal gefluctueerd hebben
wijzullen gefluctueerd hebben
julliezullen gefluctueerd hebben
zijzullen gefluctueerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou fluctueren
jijzou fluctueren
hijzou fluctueren
wijzouden fluctueren
julliezouden fluctueren
zijzouden fluctueren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefluctueerd hebben
jijzou gefluctueerd hebben
hijzou gefluctueerd hebben
wijzouden gefluctueerd hebben
julliezouden gefluctueerd hebben
zijzouden gefluctueerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfluctueer

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

golven
schommelen, wisselen

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from French fluctuer, from Latin flūctuāre. See: French 'fluctuer', Latin 'fluctuo'.

Additional Information