fiedelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of fiedelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: fiedelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: fiedelend
Past participle - Verleden deelwoord: gefiedeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfiedel
jijfiedelt
hijfiedelt
wijfiedelen
julliefiedelen
zijfiedelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefiedeld
jijhebt gefiedeld
hijheeft gefiedeld
wijhebben gefiedeld
julliehebben gefiedeld
zijhebben gefiedeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfiedelde
jijfiedelde
hijfiedelde
wijfiedelden
julliefiedelden
zijfiedelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefiedeld
jijhad gefiedeld
hijhad gefiedeld
wijhadden gefiedeld
julliehadden gefiedeld
zijhadden gefiedeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal fiedelen
jijzult fiedelen
hijzal fiedelen
wijzullen fiedelen
julliezullen fiedelen
zijzullen fiedelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefiedeld hebben
jijzult gefiedeld hebben
hijzal gefiedeld hebben
wijzullen gefiedeld hebben
julliezullen gefiedeld hebben
zijzullen gefiedeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou fiedelen
jijzou fiedelen
hijzou fiedelen
wijzouden fiedelen
julliezouden fiedelen
zijzouden fiedelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefiedeld hebben
jijzou gefiedeld hebben
hijzou gefiedeld hebben
wijzouden gefiedeld hebben
julliezouden gefiedeld hebben
zijzouden gefiedeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfiedel

Translations

  • fiddle, to play traditional tunes on a violin in a non-classical style
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information