esthetiseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of esthetiseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: esthetiseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: esthetiserend
Past participle - Verleden deelwoord: geësthetiseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikesthetiseer
jijesthetiseert
hijesthetiseert
wijesthetiseren
jullieesthetiseren
zijesthetiseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geësthetiseerd
jijhebt geësthetiseerd
hijheeft geësthetiseerd
wijhebben geësthetiseerd
julliehebben geësthetiseerd
zijhebben geësthetiseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikesthetiseerde
jijesthetiseerde
hijesthetiseerde
wijesthetiseerden
jullieesthetiseerden
zijesthetiseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geësthetiseerd
jijhad geësthetiseerd
hijhad geësthetiseerd
wijhadden geësthetiseerd
julliehadden geësthetiseerd
zijhadden geësthetiseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal esthetiseren
jijzult esthetiseren
hijzal esthetiseren
wijzullen esthetiseren
julliezullen esthetiseren
zijzullen esthetiseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geësthetiseerd hebben
jijzult geësthetiseerd hebben
hijzal geësthetiseerd hebben
wijzullen geësthetiseerd hebben
julliezullen geësthetiseerd hebben
zijzullen geësthetiseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou esthetiseren
jijzou esthetiseren
hijzou esthetiseren
wijzouden esthetiseren
julliezouden esthetiseren
zijzouden esthetiseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geësthetiseerd hebben
jijzou geësthetiseerd hebben
hijzou geësthetiseerd hebben
wijzouden geësthetiseerd hebben
julliezouden geësthetiseerd hebben
zijzouden geësthetiseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijesthetiseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information