emitteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of emitteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: emitteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: emitterend
Past participle - Verleden deelwoord: geëmitteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikemitteer
jijemitteert
hijemitteert
wijemitteren
jullieemitteren
zijemitteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geëmitteerd
jijhebt geëmitteerd
hijheeft geëmitteerd
wijhebben geëmitteerd
julliehebben geëmitteerd
zijhebben geëmitteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikemitteerde
jijemitteerde
hijemitteerde
wijemitteerden
jullieemitteerden
zijemitteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geëmitteerd
jijhad geëmitteerd
hijhad geëmitteerd
wijhadden geëmitteerd
julliehadden geëmitteerd
zijhadden geëmitteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal emitteren
jijzult emitteren
hijzal emitteren
wijzullen emitteren
julliezullen emitteren
zijzullen emitteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geëmitteerd hebben
jijzult geëmitteerd hebben
hijzal geëmitteerd hebben
wijzullen geëmitteerd hebben
julliezullen geëmitteerd hebben
zijzullen geëmitteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou emitteren
jijzou emitteren
hijzou emitteren
wijzouden emitteren
julliezouden emitteren
zijzouden emitteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geëmitteerd hebben
jijzou geëmitteerd hebben
hijzou geëmitteerd hebben
wijzouden geëmitteerd hebben
julliezouden geëmitteerd hebben
zijzouden geëmitteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijemitteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information