elektriseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of elektriseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: elektriseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: elektriserend
Past participle - Verleden deelwoord: geëlektriseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikelektriseer
jijelektriseert
hijelektriseert
wijelektriseren
jullieelektriseren
zijelektriseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geëlektriseerd
jijhebt geëlektriseerd
hijheeft geëlektriseerd
wijhebben geëlektriseerd
julliehebben geëlektriseerd
zijhebben geëlektriseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikelektriseerde
jijelektriseerde
hijelektriseerde
wijelektriseerden
jullieelektriseerden
zijelektriseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geëlektriseerd
jijhad geëlektriseerd
hijhad geëlektriseerd
wijhadden geëlektriseerd
julliehadden geëlektriseerd
zijhadden geëlektriseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal elektriseren
jijzult elektriseren
hijzal elektriseren
wijzullen elektriseren
julliezullen elektriseren
zijzullen elektriseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geëlektriseerd hebben
jijzult geëlektriseerd hebben
hijzal geëlektriseerd hebben
wijzullen geëlektriseerd hebben
julliezullen geëlektriseerd hebben
zijzullen geëlektriseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou elektriseren
jijzou elektriseren
hijzou elektriseren
wijzouden elektriseren
julliezouden elektriseren
zijzouden elektriseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geëlektriseerd hebben
jijzou geëlektriseerd hebben
hijzou geëlektriseerd hebben
wijzouden geëlektriseerd hebben
julliezouden geëlektriseerd hebben
zijzouden geëlektriseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijelektriseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information