dresseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of dresseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: dresseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: dresserend
Past participle - Verleden deelwoord: gedresseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdresseer
jijdresseert
hijdresseert
wijdresseren
julliedresseren
zijdresseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedresseerd
jijhebt gedresseerd
hijheeft gedresseerd
wijhebben gedresseerd
julliehebben gedresseerd
zijhebben gedresseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdresseerde
jijdresseerde
hijdresseerde
wijdresseerden
julliedresseerden
zijdresseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedresseerd
jijhad gedresseerd
hijhad gedresseerd
wijhadden gedresseerd
julliehadden gedresseerd
zijhadden gedresseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal dresseren
jijzult dresseren
hijzal dresseren
wijzullen dresseren
julliezullen dresseren
zijzullen dresseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedresseerd hebben
jijzult gedresseerd hebben
hijzal gedresseerd hebben
wijzullen gedresseerd hebben
julliezullen gedresseerd hebben
zijzullen gedresseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou dresseren
jijzou dresseren
hijzou dresseren
wijzouden dresseren
julliezouden dresseren
zijzouden dresseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedresseerd hebben
jijzou gedresseerd hebben
hijzou gedresseerd hebben
wijzouden gedresseerd hebben
julliezouden gedresseerd hebben
zijzouden gedresseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdresseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from French dresser. See: French 'dresser'.

Additional Information