donkeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of donkeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: donkeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: donkerend
Past participle - Verleden deelwoord: gedonkerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdonker
jijdonkert
hijdonkert
wijdonkeren
julliedonkeren
zijdonkeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedonkerd
jijhebt gedonkerd
hijheeft gedonkerd
wijhebben gedonkerd
julliehebben gedonkerd
zijhebben gedonkerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdonkerde
jijdonkerde
hijdonkerde
wijdonkerden
julliedonkerden
zijdonkerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedonkerd
jijhad gedonkerd
hijhad gedonkerd
wijhadden gedonkerd
julliehadden gedonkerd
zijhadden gedonkerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal donkeren
jijzult donkeren
hijzal donkeren
wijzullen donkeren
julliezullen donkeren
zijzullen donkeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedonkerd hebben
jijzult gedonkerd hebben
hijzal gedonkerd hebben
wijzullen gedonkerd hebben
julliezullen gedonkerd hebben
zijzullen gedonkerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou donkeren
jijzou donkeren
hijzou donkeren
wijzouden donkeren
julliezouden donkeren
zijzouden donkeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedonkerd hebben
jijzou gedonkerd hebben
hijzou gedonkerd hebben
wijzouden gedonkerd hebben
julliezouden gedonkerd hebben
zijzouden gedonkerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdonker

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information