destabiliseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of destabiliseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: destabiliseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: destabiliserend
Past participle - Verleden deelwoord: gedestabiliseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdestabiliseer
jijdestabiliseert
hijdestabiliseert
wijdestabiliseren
julliedestabiliseren
zijdestabiliseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedestabiliseerd
jijhebt gedestabiliseerd
hijheeft gedestabiliseerd
wijhebben gedestabiliseerd
julliehebben gedestabiliseerd
zijhebben gedestabiliseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdestabiliseerde
jijdestabiliseerde
hijdestabiliseerde
wijdestabiliseerden
julliedestabiliseerden
zijdestabiliseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedestabiliseerd
jijhad gedestabiliseerd
hijhad gedestabiliseerd
wijhadden gedestabiliseerd
julliehadden gedestabiliseerd
zijhadden gedestabiliseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal destabiliseren
jijzult destabiliseren
hijzal destabiliseren
wijzullen destabiliseren
julliezullen destabiliseren
zijzullen destabiliseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedestabiliseerd hebben
jijzult gedestabiliseerd hebben
hijzal gedestabiliseerd hebben
wijzullen gedestabiliseerd hebben
julliezullen gedestabiliseerd hebben
zijzullen gedestabiliseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou destabiliseren
jijzou destabiliseren
hijzou destabiliseren
wijzouden destabiliseren
julliezouden destabiliseren
zijzouden destabiliseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedestabiliseerd hebben
jijzou gedestabiliseerd hebben
hijzou gedestabiliseerd hebben
wijzouden gedestabiliseerd hebben
julliezouden gedestabiliseerd hebben
zijzouden gedestabiliseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdestabiliseer

Translations

  • destabilize, to make something unstable
  • gaslight, to manipulate (someone) psychologically such that they question their own memory, perception, and sanity
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information