dealen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of dealen

The word "dealen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: dealen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: dealend
Past participle - Verleden deelwoord: gedeald

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdeal
jijdealt
hijdealt
wijdealen
julliedealen
zijdealen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedeald
jijhebt gedeald
hijheeft gedeald
wijhebben gedeald
julliehebben gedeald
zijhebben gedeald

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdealde
jijdealde
hijdealde
wijdealden
julliedealden
zijdealden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedeald
jijhad gedeald
hijhad gedeald
wijhadden gedeald
julliehadden gedeald
zijhadden gedeald

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal dealen
jijzult dealen
hijzal dealen
wijzullen dealen
julliezullen dealen
zijzullen dealen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedeald hebben
jijzult gedeald hebben
hijzal gedeald hebben
wijzullen gedeald hebben
julliezullen gedeald hebben
zijzullen gedeald hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou dealen
jijzou dealen
hijzou dealen
wijzouden dealen
julliezouden dealen
zijzouden dealen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedeald hebben
jijzou gedeald hebben
hijzou gedeald hebben
wijzouden gedeald hebben
julliezouden gedeald hebben
zijzouden gedeald hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdeal

Translations

  • deal, to sell (illicit drugs)
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from English deal. By surface analysis, deal + -en. See: English 'deal'.

    Additional Information