copuleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of copuleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: copuleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: copulerend
Past participle - Verleden deelwoord: gecopuleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikcopuleer
jijcopuleert
hijcopuleert
wijcopuleren
julliecopuleren
zijcopuleren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gecopuleerd
jijhebt gecopuleerd
hijheeft gecopuleerd
wijhebben gecopuleerd
julliehebben gecopuleerd
zijhebben gecopuleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikcopuleerde
jijcopuleerde
hijcopuleerde
wijcopuleerden
julliecopuleerden
zijcopuleerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gecopuleerd
jijhad gecopuleerd
hijhad gecopuleerd
wijhadden gecopuleerd
julliehadden gecopuleerd
zijhadden gecopuleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal copuleren
jijzult copuleren
hijzal copuleren
wijzullen copuleren
julliezullen copuleren
zijzullen copuleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gecopuleerd hebben
jijzult gecopuleerd hebben
hijzal gecopuleerd hebben
wijzullen gecopuleerd hebben
julliezullen gecopuleerd hebben
zijzullen gecopuleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou copuleren
jijzou copuleren
hijzou copuleren
wijzouden copuleren
julliezouden copuleren
zijzouden copuleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gecopuleerd hebben
jijzou gecopuleerd hebben
hijzou gecopuleerd hebben
wijzouden gecopuleerd hebben
julliezouden gecopuleerd hebben
zijzouden gecopuleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijcopuleer

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

neuken
paren

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from Middle French copuler, from Latin cōpulō. See: Latin 'cōpulō'.

Additional Information