contradiceren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of contradiceren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: contradiceren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: contradicerend
Past participle - Verleden deelwoord: gecontradiceerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikcontradiceer
jijcontradiceert
hijcontradiceert
wijcontradiceren
julliecontradiceren
zijcontradiceren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gecontradiceerd
jijhebt gecontradiceerd
hijheeft gecontradiceerd
wijhebben gecontradiceerd
julliehebben gecontradiceerd
zijhebben gecontradiceerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikcontradiceerde
jijcontradiceerde
hijcontradiceerde
wijcontradiceerden
julliecontradiceerden
zijcontradiceerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gecontradiceerd
jijhad gecontradiceerd
hijhad gecontradiceerd
wijhadden gecontradiceerd
julliehadden gecontradiceerd
zijhadden gecontradiceerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal contradiceren
jijzult contradiceren
hijzal contradiceren
wijzullen contradiceren
julliezullen contradiceren
zijzullen contradiceren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gecontradiceerd hebben
jijzult gecontradiceerd hebben
hijzal gecontradiceerd hebben
wijzullen gecontradiceerd hebben
julliezullen gecontradiceerd hebben
zijzullen gecontradiceerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou contradiceren
jijzou contradiceren
hijzou contradiceren
wijzouden contradiceren
julliezouden contradiceren
zijzouden contradiceren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gecontradiceerd hebben
jijzou gecontradiceerd hebben
hijzou gecontradiceerd hebben
wijzouden gecontradiceerd hebben
julliezouden gecontradiceerd hebben
zijzouden gecontradiceerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijcontradiceer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information