constateren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of constateren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: constateren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: constaterend
Past participle - Verleden deelwoord: geconstateerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikconstateer
jijconstateert
hijconstateert
wijconstateren
jullieconstateren
zijconstateren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geconstateerd
jijhebt geconstateerd
hijheeft geconstateerd
wijhebben geconstateerd
julliehebben geconstateerd
zijhebben geconstateerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikconstateerde
jijconstateerde
hijconstateerde
wijconstateerden
jullieconstateerden
zijconstateerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geconstateerd
jijhad geconstateerd
hijhad geconstateerd
wijhadden geconstateerd
julliehadden geconstateerd
zijhadden geconstateerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal constateren
jijzult constateren
hijzal constateren
wijzullen constateren
julliezullen constateren
zijzullen constateren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geconstateerd hebben
jijzult geconstateerd hebben
hijzal geconstateerd hebben
wijzullen geconstateerd hebben
julliezullen geconstateerd hebben
zijzullen geconstateerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou constateren
jijzou constateren
hijzou constateren
wijzouden constateren
julliezouden constateren
zijzouden constateren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geconstateerd hebben
jijzou geconstateerd hebben
hijzou geconstateerd hebben
wijzouden geconstateerd hebben
julliezouden geconstateerd hebben
zijzouden geconstateerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijconstateer

Translations

  • ascertain, find out; discover or establish
  • note, to notice with care
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    opmerken
    vaststellen, waarnemen

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from French constater, formed from Latin cōnstat. See: French 'constater'.

    Additional Information