computeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of computeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: computeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: computerend
Past participle - Verleden deelwoord: gecomputerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikcomputer
jijcomputert
hijcomputert
wijcomputeren
julliecomputeren
zijcomputeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gecomputerd
jijhebt gecomputerd
hijheeft gecomputerd
wijhebben gecomputerd
julliehebben gecomputerd
zijhebben gecomputerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikcomputerde
jijcomputerde
hijcomputerde
wijcomputerden
julliecomputerden
zijcomputerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gecomputerd
jijhad gecomputerd
hijhad gecomputerd
wijhadden gecomputerd
julliehadden gecomputerd
zijhadden gecomputerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal computeren
jijzult computeren
hijzal computeren
wijzullen computeren
julliezullen computeren
zijzullen computeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gecomputerd hebben
jijzult gecomputerd hebben
hijzal gecomputerd hebben
wijzullen gecomputerd hebben
julliezullen gecomputerd hebben
zijzullen gecomputerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou computeren
jijzou computeren
hijzou computeren
wijzouden computeren
julliezouden computeren
zijzouden computeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gecomputerd hebben
jijzou gecomputerd hebben
hijzou gecomputerd hebben
wijzouden gecomputerd hebben
julliezouden gecomputerd hebben
zijzouden gecomputerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijcomputer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From computer + -en.

Additional Information