catalogeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of catalogeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: catalogeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: catalogerend
Past participle - Verleden deelwoord: gecatalogeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikcatalogeer
jijcatalogeert
hijcatalogeert
wijcatalogeren
julliecatalogeren
zijcatalogeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gecatalogeerd
jijhebt gecatalogeerd
hijheeft gecatalogeerd
wijhebben gecatalogeerd
julliehebben gecatalogeerd
zijhebben gecatalogeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikcatalogeerde
jijcatalogeerde
hijcatalogeerde
wijcatalogeerden
julliecatalogeerden
zijcatalogeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gecatalogeerd
jijhad gecatalogeerd
hijhad gecatalogeerd
wijhadden gecatalogeerd
julliehadden gecatalogeerd
zijhadden gecatalogeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal catalogeren
jijzult catalogeren
hijzal catalogeren
wijzullen catalogeren
julliezullen catalogeren
zijzullen catalogeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gecatalogeerd hebben
jijzult gecatalogeerd hebben
hijzal gecatalogeerd hebben
wijzullen gecatalogeerd hebben
julliezullen gecatalogeerd hebben
zijzullen gecatalogeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou catalogeren
jijzou catalogeren
hijzou catalogeren
wijzouden catalogeren
julliezouden catalogeren
zijzouden catalogeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gecatalogeerd hebben
jijzou gecatalogeerd hebben
hijzou gecatalogeerd hebben
wijzouden gecatalogeerd hebben
julliezouden gecatalogeerd hebben
zijzouden gecatalogeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijcatalogeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information