buitelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of buitelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: buitelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: buitelend
Past participle - Verleden deelwoord: gebuiteld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbuitel
jijbuitelt
hijbuitelt
wijbuitelen
julliebuitelen
zijbuitelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebuiteld
jijhebt gebuiteld
hijheeft gebuiteld
wijhebben gebuiteld
julliehebben gebuiteld
zijhebben gebuiteld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbuitelde
jijbuitelde
hijbuitelde
wijbuitelden
julliebuitelden
zijbuitelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebuiteld
jijhad gebuiteld
hijhad gebuiteld
wijhadden gebuiteld
julliehadden gebuiteld
zijhadden gebuiteld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal buitelen
jijzult buitelen
hijzal buitelen
wijzullen buitelen
julliezullen buitelen
zijzullen buitelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebuiteld hebben
jijzult gebuiteld hebben
hijzal gebuiteld hebben
wijzullen gebuiteld hebben
julliezullen gebuiteld hebben
zijzullen gebuiteld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou buitelen
jijzou buitelen
hijzou buitelen
wijzouden buitelen
julliezouden buitelen
zijzouden buitelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebuiteld hebben
jijzou gebuiteld hebben
hijzou gebuiteld hebben
wijzouden gebuiteld hebben
julliezouden gebuiteld hebben
zijzouden gebuiteld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbuitel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Uncertain. Perhaps a frequentative of French culbuter (“to tumble”), where only the second element was adopted. See: French 'culbuter'.

Additional Information