bikken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bikken

The word "bikken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bikken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bikkend
Past participle - Verleden deelwoord: gebikt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbik
jijbikt
hijbikt
wijbikken
julliebikken
zijbikken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebikt
jijhebt gebikt
hijheeft gebikt
wijhebben gebikt
julliehebben gebikt
zijhebben gebikt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbikte
jijbikte
hijbikte
wijbikten
julliebikten
zijbikten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebikt
jijhad gebikt
hijhad gebikt
wijhadden gebikt
julliehadden gebikt
zijhadden gebikt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bikken
jijzult bikken
hijzal bikken
wijzullen bikken
julliezullen bikken
zijzullen bikken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebikt hebben
jijzult gebikt hebben
hijzal gebikt hebben
wijzullen gebikt hebben
julliezullen gebikt hebben
zijzullen gebikt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bikken
jijzou bikken
hijzou bikken
wijzouden bikken
julliezouden bikken
zijzouden bikken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebikt hebben
jijzou gebikt hebben
hijzou gebikt hebben
wijzouden gebikt hebben
julliezouden gebikt hebben
zijzouden gebikt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbik

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch bicken, a variant of picken (modern pikken).

Verbs referencing "bikken"

English bitch, English bicker.

Additional Information