biggelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of biggelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: biggelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: biggelend
Past participle - Verleden deelwoord: gebiggeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbiggel
jijbiggelt
hijbiggelt
wijbiggelen
julliebiggelen
zijbiggelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebiggeld
jijhebt gebiggeld
hijheeft gebiggeld
wijhebben gebiggeld
julliehebben gebiggeld
zijhebben gebiggeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbiggelde
jijbiggelde
hijbiggelde
wijbiggelden
julliebiggelden
zijbiggelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebiggeld
jijhad gebiggeld
hijhad gebiggeld
wijhadden gebiggeld
julliehadden gebiggeld
zijhadden gebiggeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal biggelen
jijzult biggelen
hijzal biggelen
wijzullen biggelen
julliezullen biggelen
zijzullen biggelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebiggeld hebben
jijzult gebiggeld hebben
hijzal gebiggeld hebben
wijzullen gebiggeld hebben
julliezullen gebiggeld hebben
zijzullen gebiggeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou biggelen
jijzou biggelen
hijzou biggelen
wijzouden biggelen
julliezouden biggelen
zijzouden biggelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebiggeld hebben
jijzou gebiggeld hebben
hijzou gebiggeld hebben
wijzouden gebiggeld hebben
julliezouden gebiggeld hebben
zijzouden gebiggeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbiggel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • De arme man, wien de tranen over het gelaat biggelden, stond geheel verbijsterd, en zeide: " Spreek ik tot een mensch of tot een engel ? " — " Wees daar niet ontsteld over, " zeide ik. " Zoo God u een engel toegezonden had, zoude deze beter gekleed en [...] (Robinson Crusoe)

Etymology

Unknown

Additional Information