bezeggen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bezeggen

The word "bezeggen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bezeggen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bezeggend
Past participle - Verleden deelwoord: bezegd

Cognates

See the 2 cognates of bezeggen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbezeg
jijbezegt
hijbezegt
wijbezeggen
julliebezeggen
zijbezeggen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb bezegd
jijhebt bezegd
hijheeft bezegd
wijhebben bezegd
julliehebben bezegd
zijhebben bezegd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbezegde
jijbezegde
hijbezegde
wijbezegden
julliebezegden
zijbezegden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad bezegd
jijhad bezegd
hijhad bezegd
wijhadden bezegd
julliehadden bezegd
zijhadden bezegd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bezeggen
jijzult bezeggen
hijzal bezeggen
wijzullen bezeggen
julliezullen bezeggen
zijzullen bezeggen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal bezegd hebben
jijzult bezegd hebben
hijzal bezegd hebben
wijzullen bezegd hebben
julliezullen bezegd hebben
zijzullen bezegd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bezeggen
jijzou bezeggen
hijzou bezeggen
wijzouden bezeggen
julliezouden bezeggen
zijzouden bezeggen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou bezegd hebben
jijzou bezegd hebben
hijzou bezegd hebben
wijzouden bezegd hebben
julliezouden bezegd hebben
zijzouden bezegd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbezeg

Verbs similar to 'bezeggen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "bezeggen"

English besay.

Additional Information