besnuffelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of besnuffelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: besnuffelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: besnuffelend
Past participle - Verleden deelwoord: besnuffeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbesnuffel
jijbesnuffelt
hijbesnuffelt
wijbesnuffelen
julliebesnuffelen
zijbesnuffelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb besnuffeld
jijhebt besnuffeld
hijheeft besnuffeld
wijhebben besnuffeld
julliehebben besnuffeld
zijhebben besnuffeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbesnuffelde
jijbesnuffelde
hijbesnuffelde
wijbesnuffelden
julliebesnuffelden
zijbesnuffelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad besnuffeld
jijhad besnuffeld
hijhad besnuffeld
wijhadden besnuffeld
julliehadden besnuffeld
zijhadden besnuffeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal besnuffelen
jijzult besnuffelen
hijzal besnuffelen
wijzullen besnuffelen
julliezullen besnuffelen
zijzullen besnuffelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal besnuffeld hebben
jijzult besnuffeld hebben
hijzal besnuffeld hebben
wijzullen besnuffeld hebben
julliezullen besnuffeld hebben
zijzullen besnuffeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou besnuffelen
jijzou besnuffelen
hijzou besnuffelen
wijzouden besnuffelen
julliezouden besnuffelen
zijzouden besnuffelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou besnuffeld hebben
jijzou besnuffeld hebben
hijzou besnuffeld hebben
wijzouden besnuffeld hebben
julliezouden besnuffeld hebben
zijzouden besnuffeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbesnuffel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information