bepantseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bepantseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bepantseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bepantserend
Past participle - Verleden deelwoord: bepantserd

Cognates

See the 3 cognates of bepantseren

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbepantser
jijbepantsert
hijbepantsert
wijbepantseren
julliebepantseren
zijbepantseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb bepantserd
jijhebt bepantserd
hijheeft bepantserd
wijhebben bepantserd
julliehebben bepantserd
zijhebben bepantserd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbepantserde
jijbepantserde
hijbepantserde
wijbepantserden
julliebepantserden
zijbepantserden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad bepantserd
jijhad bepantserd
hijhad bepantserd
wijhadden bepantserd
julliehadden bepantserd
zijhadden bepantserd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bepantseren
jijzult bepantseren
hijzal bepantseren
wijzullen bepantseren
julliezullen bepantseren
zijzullen bepantseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal bepantserd hebben
jijzult bepantserd hebben
hijzal bepantserd hebben
wijzullen bepantserd hebben
julliezullen bepantserd hebben
zijzullen bepantserd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bepantseren
jijzou bepantseren
hijzou bepantseren
wijzouden bepantseren
julliezouden bepantseren
zijzouden bepantseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou bepantserd hebben
jijzou bepantserd hebben
hijzou bepantserd hebben
wijzouden bepantserd hebben
julliezouden bepantserd hebben
zijzouden bepantserd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbepantser

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "bepantseren"

Swedish bepansra.

Additional Information