depanneren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of depanneren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: depanneren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: depannerend
Past participle - Verleden deelwoord: gedepanneerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdepanneer
jijdepanneert
hijdepanneert
wijdepanneren
julliedepanneren
zijdepanneren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedepanneerd
jijhebt gedepanneerd
hijheeft gedepanneerd
wijhebben gedepanneerd
julliehebben gedepanneerd
zijhebben gedepanneerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdepanneerde
jijdepanneerde
hijdepanneerde
wijdepanneerden
julliedepanneerden
zijdepanneerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedepanneerd
jijhad gedepanneerd
hijhad gedepanneerd
wijhadden gedepanneerd
julliehadden gedepanneerd
zijhadden gedepanneerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal depanneren
jijzult depanneren
hijzal depanneren
wijzullen depanneren
julliezullen depanneren
zijzullen depanneren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedepanneerd hebben
jijzult gedepanneerd hebben
hijzal gedepanneerd hebben
wijzullen gedepanneerd hebben
julliezullen gedepanneerd hebben
zijzullen gedepanneerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou depanneren
jijzou depanneren
hijzou depanneren
wijzouden depanneren
julliezouden depanneren
zijzouden depanneren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedepanneerd hebben
jijzou gedepanneerd hebben
hijzou gedepanneerd hebben
wijzouden gedepanneerd hebben
julliezouden gedepanneerd hebben
zijzouden gedepanneerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdepanneer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information