bemantelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bemantelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bemantelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bemantelend
Past participle - Verleden deelwoord: bemanteld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbemantel
jijbemantelt
hijbemantelt
wijbemantelen
julliebemantelen
zijbemantelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb bemanteld
jijhebt bemanteld
hijheeft bemanteld
wijhebben bemanteld
julliehebben bemanteld
zijhebben bemanteld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbemantelde
jijbemantelde
hijbemantelde
wijbemantelden
julliebemantelden
zijbemantelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad bemanteld
jijhad bemanteld
hijhad bemanteld
wijhadden bemanteld
julliehadden bemanteld
zijhadden bemanteld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bemantelen
jijzult bemantelen
hijzal bemantelen
wijzullen bemantelen
julliezullen bemantelen
zijzullen bemantelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal bemanteld hebben
jijzult bemanteld hebben
hijzal bemanteld hebben
wijzullen bemanteld hebben
julliezullen bemanteld hebben
zijzullen bemanteld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bemantelen
jijzou bemantelen
hijzou bemantelen
wijzouden bemantelen
julliezouden bemantelen
zijzouden bemantelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou bemanteld hebben
jijzou bemanteld hebben
hijzou bemanteld hebben
wijzouden bemanteld hebben
julliezouden bemanteld hebben
zijzouden bemanteld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbemantel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From mantel + be- -en.

Additional Information