baseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of baseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: baseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: baserend
Past participle - Verleden deelwoord: gebaseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbaseer
jijbaseert
hijbaseert
wijbaseren
julliebaseren
zijbaseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebaseerd
jijhebt gebaseerd
hijheeft gebaseerd
wijhebben gebaseerd
julliehebben gebaseerd
zijhebben gebaseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbaseerde
jijbaseerde
hijbaseerde
wijbaseerden
julliebaseerden
zijbaseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebaseerd
jijhad gebaseerd
hijhad gebaseerd
wijhadden gebaseerd
julliehadden gebaseerd
zijhadden gebaseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal baseren
jijzult baseren
hijzal baseren
wijzullen baseren
julliezullen baseren
zijzullen baseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebaseerd hebben
jijzult gebaseerd hebben
hijzal gebaseerd hebben
wijzullen gebaseerd hebben
julliezullen gebaseerd hebben
zijzullen gebaseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou baseren
jijzou baseren
hijzou baseren
wijzouden baseren
julliezouden baseren
zijzouden baseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebaseerd hebben
jijzou gebaseerd hebben
hijzou gebaseerd hebben
wijzouden gebaseerd hebben
julliezouden gebaseerd hebben
zijzouden gebaseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbaseer

Translations

  • base, have as its foundation or starting point
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from French baser. See: French 'baser'.

    Verbs referencing "baseren"

    Afrikaans baseer.

    Additional Information