balloteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of balloteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: balloteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: balloterend
Past participle - Verleden deelwoord: geballoteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikballoteer
jijballoteert
hijballoteert
wijballoteren
jullieballoteren
zijballoteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geballoteerd
jijhebt geballoteerd
hijheeft geballoteerd
wijhebben geballoteerd
julliehebben geballoteerd
zijhebben geballoteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikballoteerde
jijballoteerde
hijballoteerde
wijballoteerden
jullieballoteerden
zijballoteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geballoteerd
jijhad geballoteerd
hijhad geballoteerd
wijhadden geballoteerd
julliehadden geballoteerd
zijhadden geballoteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal balloteren
jijzult balloteren
hijzal balloteren
wijzullen balloteren
julliezullen balloteren
zijzullen balloteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geballoteerd hebben
jijzult geballoteerd hebben
hijzal geballoteerd hebben
wijzullen geballoteerd hebben
julliezullen geballoteerd hebben
zijzullen geballoteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou balloteren
jijzou balloteren
hijzou balloteren
wijzouden balloteren
julliezouden balloteren
zijzouden balloteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geballoteerd hebben
jijzou geballoteerd hebben
hijzou geballoteerd hebben
wijzouden geballoteerd hebben
julliezouden geballoteerd hebben
zijzouden geballoteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijballoteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information