appreteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of appreteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: appreteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: appreterend
Past participle - Verleden deelwoord: geappreteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikappreteer
jijappreteert
hijappreteert
wijappreteren
jullieappreteren
zijappreteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geappreteerd
jijhebt geappreteerd
hijheeft geappreteerd
wijhebben geappreteerd
julliehebben geappreteerd
zijhebben geappreteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikappreteerde
jijappreteerde
hijappreteerde
wijappreteerden
jullieappreteerden
zijappreteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geappreteerd
jijhad geappreteerd
hijhad geappreteerd
wijhadden geappreteerd
julliehadden geappreteerd
zijhadden geappreteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal appreteren
jijzult appreteren
hijzal appreteren
wijzullen appreteren
julliezullen appreteren
zijzullen appreteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geappreteerd hebben
jijzult geappreteerd hebben
hijzal geappreteerd hebben
wijzullen geappreteerd hebben
julliezullen geappreteerd hebben
zijzullen geappreteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou appreteren
jijzou appreteren
hijzou appreteren
wijzouden appreteren
julliezouden appreteren
zijzouden appreteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geappreteerd hebben
jijzou geappreteerd hebben
hijzou geappreteerd hebben
wijzouden geappreteerd hebben
julliezouden geappreteerd hebben
zijzouden geappreteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijappreteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information