apparenteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of apparenteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: apparenteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: apparenterend
Past participle - Verleden deelwoord: geapparenteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikapparenteer
jijapparenteert
hijapparenteert
wijapparenteren
jullieapparenteren
zijapparenteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geapparenteerd
jijhebt geapparenteerd
hijheeft geapparenteerd
wijhebben geapparenteerd
julliehebben geapparenteerd
zijhebben geapparenteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikapparenteerde
jijapparenteerde
hijapparenteerde
wijapparenteerden
jullieapparenteerden
zijapparenteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geapparenteerd
jijhad geapparenteerd
hijhad geapparenteerd
wijhadden geapparenteerd
julliehadden geapparenteerd
zijhadden geapparenteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal apparenteren
jijzult apparenteren
hijzal apparenteren
wijzullen apparenteren
julliezullen apparenteren
zijzullen apparenteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geapparenteerd hebben
jijzult geapparenteerd hebben
hijzal geapparenteerd hebben
wijzullen geapparenteerd hebben
julliezullen geapparenteerd hebben
zijzullen geapparenteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou apparenteren
jijzou apparenteren
hijzou apparenteren
wijzouden apparenteren
julliezouden apparenteren
zijzouden apparenteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geapparenteerd hebben
jijzou geapparenteerd hebben
hijzou geapparenteerd hebben
wijzouden geapparenteerd hebben
julliezouden geapparenteerd hebben
zijzouden geapparenteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijapparenteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information