appelleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of appelleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: appelleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: appellerend
Past participle - Verleden deelwoord: geappelleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikappelleer
jijappelleert
hijappelleert
wijappelleren
jullieappelleren
zijappelleren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geappelleerd
jijhebt geappelleerd
hijheeft geappelleerd
wijhebben geappelleerd
julliehebben geappelleerd
zijhebben geappelleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikappelleerde
jijappelleerde
hijappelleerde
wijappelleerden
jullieappelleerden
zijappelleerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geappelleerd
jijhad geappelleerd
hijhad geappelleerd
wijhadden geappelleerd
julliehadden geappelleerd
zijhadden geappelleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal appelleren
jijzult appelleren
hijzal appelleren
wijzullen appelleren
julliezullen appelleren
zijzullen appelleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geappelleerd hebben
jijzult geappelleerd hebben
hijzal geappelleerd hebben
wijzullen geappelleerd hebben
julliezullen geappelleerd hebben
zijzullen geappelleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou appelleren
jijzou appelleren
hijzou appelleren
wijzouden appelleren
julliezouden appelleren
zijzouden appelleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geappelleerd hebben
jijzou geappelleerd hebben
hijzou geappelleerd hebben
wijzouden geappelleerd hebben
julliezouden geappelleerd hebben
zijzouden geappelleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijappelleer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information