agioteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of agioteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: agioteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: agioterend
Past participle - Verleden deelwoord: geagioteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikagioteer
jijagioteert
hijagioteert
wijagioteren
jullieagioteren
zijagioteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geagioteerd
jijhebt geagioteerd
hijheeft geagioteerd
wijhebben geagioteerd
julliehebben geagioteerd
zijhebben geagioteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikagioteerde
jijagioteerde
hijagioteerde
wijagioteerden
jullieagioteerden
zijagioteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geagioteerd
jijhad geagioteerd
hijhad geagioteerd
wijhadden geagioteerd
julliehadden geagioteerd
zijhadden geagioteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal agioteren
jijzult agioteren
hijzal agioteren
wijzullen agioteren
julliezullen agioteren
zijzullen agioteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geagioteerd hebben
jijzult geagioteerd hebben
hijzal geagioteerd hebben
wijzullen geagioteerd hebben
julliezullen geagioteerd hebben
zijzullen geagioteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou agioteren
jijzou agioteren
hijzou agioteren
wijzouden agioteren
julliezouden agioteren
zijzouden agioteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geagioteerd hebben
jijzou geagioteerd hebben
hijzou geagioteerd hebben
wijzouden geagioteerd hebben
julliezouden geagioteerd hebben
zijzouden geagioteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijagioteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information