afzakken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afzakken

The word "afzakken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afzakken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afzakkend
Past participle - Verleden deelwoord: afgezakt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzak af
jijzakt af
hijzakt af
wijzakken af
julliezakken af
zijzakken af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgezakt
jijhebt afgezakt
hijheeft afgezakt
wijhebben afgezakt
julliehebben afgezakt
zijhebben afgezakt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzakte af
jijzakte af
hijzakte af
wijzakten af
julliezakten af
zijzakten af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgezakt
jijhad afgezakt
hijhad afgezakt
wijhadden afgezakt
julliehadden afgezakt
zijhadden afgezakt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afzakken
jijzult afzakken
hijzal afzakken
wijzullen afzakken
julliezullen afzakken
zijzullen afzakken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgezakt hebben
jijzult afgezakt hebben
hijzal afgezakt hebben
wijzullen afgezakt hebben
julliezullen afgezakt hebben
zijzullen afgezakt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afzakken
jijzou afzakken
hijzou afzakken
wijzouden afzakken
julliezouden afzakken
zijzouden afzakken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgezakt hebben
jijzou afgezakt hebben
hijzou afgezakt hebben
wijzouden afgezakt hebben
julliezouden afgezakt hebben
zijzouden afgezakt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzak af

Verbs similar to 'afzakken'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • Hee! Je broek zakt af! (Hey! Your trousers/pants are coming down!)

Etymology

From af + zakken.

Additional Information