afsprokkelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afsprokkelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afsprokkelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afsprokkelend
Past participle - Verleden deelwoord: afgesprokkeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksprokkel af
jijsprokkelt af
hijsprokkelt af
wijsprokkelen af
julliesprokkelen af
zijsprokkelen af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgesprokkeld
jijhebt afgesprokkeld
hijheeft afgesprokkeld
wijhebben afgesprokkeld
julliehebben afgesprokkeld
zijhebben afgesprokkeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksprokkelde af
jijsprokkelde af
hijsprokkelde af
wijsprokkelden af
julliesprokkelden af
zijsprokkelden af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgesprokkeld
jijhad afgesprokkeld
hijhad afgesprokkeld
wijhadden afgesprokkeld
julliehadden afgesprokkeld
zijhadden afgesprokkeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afsprokkelen
jijzult afsprokkelen
hijzal afsprokkelen
wijzullen afsprokkelen
julliezullen afsprokkelen
zijzullen afsprokkelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgesprokkeld hebben
jijzult afgesprokkeld hebben
hijzal afgesprokkeld hebben
wijzullen afgesprokkeld hebben
julliezullen afgesprokkeld hebben
zijzullen afgesprokkeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afsprokkelen
jijzou afsprokkelen
hijzou afsprokkelen
wijzouden afsprokkelen
julliezouden afsprokkelen
zijzouden afsprokkelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgesprokkeld hebben
jijzou afgesprokkeld hebben
hijzou afgesprokkeld hebben
wijzouden afgesprokkeld hebben
julliezouden afgesprokkeld hebben
zijzouden afgesprokkeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsprokkel af

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information