afremmen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afremmen

The word "afremmen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afremmen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afremmend
Past participle - Verleden deelwoord: afgeremd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikrem af
jijremt af
hijremt af
wijremmen af
jullieremmen af
zijremmen af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgeremd
jijhebt afgeremd
hijheeft afgeremd
wijhebben afgeremd
julliehebben afgeremd
zijhebben afgeremd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikremde af
jijremde af
hijremde af
wijremden af
jullieremden af
zijremden af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgeremd
jijhad afgeremd
hijhad afgeremd
wijhadden afgeremd
julliehadden afgeremd
zijhadden afgeremd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afremmen
jijzult afremmen
hijzal afremmen
wijzullen afremmen
julliezullen afremmen
zijzullen afremmen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgeremd hebben
jijzult afgeremd hebben
hijzal afgeremd hebben
wijzullen afgeremd hebben
julliezullen afgeremd hebben
zijzullen afgeremd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afremmen
jijzou afremmen
hijzou afremmen
wijzouden afremmen
julliezouden afremmen
zijzouden afremmen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgeremd hebben
jijzou afgeremd hebben
hijzou afgeremd hebben
wijzouden afgeremd hebben
julliezouden afgeremd hebben
zijzouden afgeremd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijrem af

Verbs similar to 'afremmen'

Translations

  • brake, to be stopped or slowed (as if) by braking
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From af + remmen.

    Additional Information