afreiken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afreiken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afreiken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afreikend
Past participle - Verleden deelwoord: afgereikt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikreik af
jijreikt af
hijreikt af
wijreiken af
julliereiken af
zijreiken af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgereikt
jijhebt afgereikt
hijheeft afgereikt
wijhebben afgereikt
julliehebben afgereikt
zijhebben afgereikt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikreikte af
jijreikte af
hijreikte af
wijreikten af
julliereikten af
zijreikten af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgereikt
jijhad afgereikt
hijhad afgereikt
wijhadden afgereikt
julliehadden afgereikt
zijhadden afgereikt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afreiken
jijzult afreiken
hijzal afreiken
wijzullen afreiken
julliezullen afreiken
zijzullen afreiken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgereikt hebben
jijzult afgereikt hebben
hijzal afgereikt hebben
wijzullen afgereikt hebben
julliezullen afgereikt hebben
zijzullen afgereikt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afreiken
jijzou afreiken
hijzou afreiken
wijzouden afreiken
julliezouden afreiken
zijzouden afreiken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgereikt hebben
jijzou afgereikt hebben
hijzou afgereikt hebben
wijzouden afgereikt hebben
julliezouden afgereikt hebben
zijzouden afgereikt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijreik af

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information