afperken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afperken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afperken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afperkend
Past participle - Verleden deelwoord: afgeperkt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikperk af
jijperkt af
hijperkt af
wijperken af
jullieperken af
zijperken af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgeperkt
jijhebt afgeperkt
hijheeft afgeperkt
wijhebben afgeperkt
julliehebben afgeperkt
zijhebben afgeperkt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikperkte af
jijperkte af
hijperkte af
wijperkten af
jullieperkten af
zijperkten af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgeperkt
jijhad afgeperkt
hijhad afgeperkt
wijhadden afgeperkt
julliehadden afgeperkt
zijhadden afgeperkt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afperken
jijzult afperken
hijzal afperken
wijzullen afperken
julliezullen afperken
zijzullen afperken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgeperkt hebben
jijzult afgeperkt hebben
hijzal afgeperkt hebben
wijzullen afgeperkt hebben
julliezullen afgeperkt hebben
zijzullen afgeperkt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afperken
jijzou afperken
hijzou afperken
wijzouden afperken
julliezouden afperken
zijzouden afperken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgeperkt hebben
jijzou afgeperkt hebben
hijzou afgeperkt hebben
wijzouden afgeperkt hebben
julliezouden afgeperkt hebben
zijzouden afgeperkt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijperk af

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

begrenzen
afbakenen, beperken, insluiten

Sample Sentences

  • [...] laten weiden. Ik begreep echter daarbij dat ik de tammen van de wilden moest afgescheiden houden, want anders zouden zij onder het opgroeijen altijd wild worden. De eenigste weg hiertoe was het afperken van een stuk lands met een heining of met paalwerk, ten einde zij zoodanig afgesloten waren, dat die er binnen waren er niet uit, en die er buiten waren er niet in konden komen. (Robinson Crusoe)
  • [...] van honderd en vijftig el lang, en honderd el breed, hetwelk voor ' s hands genoeg was ter voeding van degeen, die ik vooreerst zou hebben, en als mijne kudde vermeerderde, kon ik altijd meer grond afperken. Dit was verstandiger overlegd en ik ging met ijver aan het werk. Ik had ongeveer drie maanden werk er aan, en in dien tijd bond ik de drie geiten op de beste plek er in vast en gewende ze zoo digt [...] (Robinson Crusoe)
  • Om dit te verhoeden zag ik, na rijpe overweging, slechts twee middelen, het eerste was, eene andere onderaardsche grot te delven, en ze daar alle avonden in te drijven; en het andere bestond in het afperken van twee of drie verschillende stukjes land, ver van elkander, en zoo verborgen als ik vinden kon, in elke waarvan ik een half dozijn jonge geiten kon houden, zoodat, als de groote kudde eenig [...] (Robinson Crusoe)

Etymology

Additional Information