afpassen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afpassen

The word "afpassen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afpassen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afpassend
Past participle - Verleden deelwoord: afgepast

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpas af
jijpast af
hijpast af
wijpassen af
julliepassen af
zijpassen af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgepast
jijhebt afgepast
hijheeft afgepast
wijhebben afgepast
julliehebben afgepast
zijhebben afgepast

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpaste af
jijpaste af
hijpaste af
wijpasten af
julliepasten af
zijpasten af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgepast
jijhad afgepast
hijhad afgepast
wijhadden afgepast
julliehadden afgepast
zijhadden afgepast

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afpassen
jijzult afpassen
hijzal afpassen
wijzullen afpassen
julliezullen afpassen
zijzullen afpassen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgepast hebben
jijzult afgepast hebben
hijzal afgepast hebben
wijzullen afgepast hebben
julliezullen afgepast hebben
zijzullen afgepast hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afpassen
jijzou afpassen
hijzou afpassen
wijzouden afpassen
julliezouden afpassen
zijzouden afpassen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgepast hebben
jijzou afgepast hebben
hijzou afgepast hebben
wijzouden afgepast hebben
julliezouden afgepast hebben
zijzouden afgepast hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpas af

Verbs similar to 'afpassen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information