aborderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aborderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aborderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aborderend
Past participle - Verleden deelwoord: geabordeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikabordeer
jijabordeert
hijabordeert
wijaborderen
jullieaborderen
zijaborderen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geabordeerd
jijhebt geabordeerd
hijheeft geabordeerd
wijhebben geabordeerd
julliehebben geabordeerd
zijhebben geabordeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikabordeerde
jijabordeerde
hijabordeerde
wijabordeerden
jullieabordeerden
zijabordeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geabordeerd
jijhad geabordeerd
hijhad geabordeerd
wijhadden geabordeerd
julliehadden geabordeerd
zijhadden geabordeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aborderen
jijzult aborderen
hijzal aborderen
wijzullen aborderen
julliezullen aborderen
zijzullen aborderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geabordeerd hebben
jijzult geabordeerd hebben
hijzal geabordeerd hebben
wijzullen geabordeerd hebben
julliezullen geabordeerd hebben
zijzullen geabordeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aborderen
jijzou aborderen
hijzou aborderen
wijzouden aborderen
julliezouden aborderen
zijzouden aborderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geabordeerd hebben
jijzou geabordeerd hebben
hijzou geabordeerd hebben
wijzouden geabordeerd hebben
julliezouden geabordeerd hebben
zijzouden geabordeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijabordeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from French aborder. See: French 'aborder'.

Additional Information