aanwerken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aanwerken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aanwerken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aanwerkend
Past participle - Verleden deelwoord: aangewerkt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikwerk aan
jijwerkt aan
hijwerkt aan
wijwerken aan
julliewerken aan
zijwerken aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangewerkt
jijhebt aangewerkt
hijheeft aangewerkt
wijhebben aangewerkt
julliehebben aangewerkt
zijhebben aangewerkt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikwerkte aan
jijwerkte aan
hijwerkte aan
wijwerkten aan
julliewerkten aan
zijwerkten aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangewerkt
jijhad aangewerkt
hijhad aangewerkt
wijhadden aangewerkt
julliehadden aangewerkt
zijhadden aangewerkt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aanwerken
jijzult aanwerken
hijzal aanwerken
wijzullen aanwerken
julliezullen aanwerken
zijzullen aanwerken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangewerkt hebben
jijzult aangewerkt hebben
hijzal aangewerkt hebben
wijzullen aangewerkt hebben
julliezullen aangewerkt hebben
zijzullen aangewerkt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aanwerken
jijzou aanwerken
hijzou aanwerken
wijzouden aanwerken
julliezouden aanwerken
zijzouden aanwerken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangewerkt hebben
jijzou aangewerkt hebben
hijzou aangewerkt hebben
wijzouden aangewerkt hebben
julliezouden aangewerkt hebben
zijzouden aangewerkt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijwerk aan

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Compound of aan + werken.

Additional Information