zonderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of zonderen

The word "zonderen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: zonderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: zonderend
Past participle - Verleden deelwoord: gezondeerd

Cognates

See the 5 cognates of zonderen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzondeer
jijzondeert
hijzondeert
wijzonderen
julliezonderen
zijzonderen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gezondeerd
jijhebt gezondeerd
hijheeft gezondeerd
wijhebben gezondeerd
julliehebben gezondeerd
zijhebben gezondeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzondeerde
jijzondeerde
hijzondeerde
wijzondeerden
julliezondeerden
zijzondeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gezondeerd
jijhad gezondeerd
hijhad gezondeerd
wijhadden gezondeerd
julliehadden gezondeerd
zijhadden gezondeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal zonderen
jijzult zonderen
hijzal zonderen
wijzullen zonderen
julliezullen zonderen
zijzullen zonderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gezondeerd hebben
jijzult gezondeerd hebben
hijzal gezondeerd hebben
wijzullen gezondeerd hebben
julliezullen gezondeerd hebben
zijzullen gezondeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou zonderen
jijzou zonderen
hijzou zonderen
wijzouden zonderen
julliezouden zonderen
zijzouden zonderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gezondeerd hebben
jijzou gezondeerd hebben
hijzou gezondeerd hebben
wijzouden gezondeerd hebben
julliezouden gezondeerd hebben
zijzouden gezondeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzondeer

Verbs similar to 'zonderen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch sonderen, from Old Dutch *sundron, from Proto-Germanic *sundrōną. See: Old Dutch '*sundron', Proto-Germanic '*sundrōną'.

Verbs referencing "zonderen"

English sunder, German, old spelling sondern, Danish søndre.

Additional Information