zagen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of zagen

The word "zagen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: zagen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: zagend
Past participle - Verleden deelwoord: gezaagd

Cognates

See the 8 cognates of zagen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzaag
jijzaagt
hijzaagt
wijzagen
julliezagen
zijzagen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gezaagd
jijhebt gezaagd
hijheeft gezaagd
wijhebben gezaagd
julliehebben gezaagd
zijhebben gezaagd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzaagde
jijzaagde
hijzaagde
wijzaagden
julliezaagden
zijzaagden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gezaagd
jijhad gezaagd
hijhad gezaagd
wijhadden gezaagd
julliehadden gezaagd
zijhadden gezaagd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal zagen
jijzult zagen
hijzal zagen
wijzullen zagen
julliezullen zagen
zijzullen zagen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gezaagd hebben
jijzult gezaagd hebben
hijzal gezaagd hebben
wijzullen gezaagd hebben
julliezullen gezaagd hebben
zijzullen gezaagd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou zagen
jijzou zagen
hijzou zagen
wijzouden zagen
julliezouden zagen
zijzouden zagen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gezaagd hebben
jijzou gezaagd hebben
hijzou gezaagd hebben
wijzouden gezaagd hebben
julliezouden gezaagd hebben
zijzouden gezaagd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzaag

Verbs similar to 'zagen'

Translations

  • saw, cut with a saw
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch sagen. Equivalent to zaag (“saw”) + -en.

    Verbs referencing "zagen"

    Danish save, Swedish såga, German, Pennsylvania saege.

    Additional Information