wettigen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of wettigen

The word "wettigen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: wettigen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: wettigend
Past participle - Verleden deelwoord: gewettiigd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikwettiig
jijwettiigt
hijwettiigt
wijwettigen
julliewettigen
zijwettigen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gewettiigd
jijhebt gewettiigd
hijheeft gewettiigd
wijhebben gewettiigd
julliehebben gewettiigd
zijhebben gewettiigd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikwettiigde
jijwettiigde
hijwettiigde
wijwettiigden
julliewettiigden
zijwettiigden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gewettiigd
jijhad gewettiigd
hijhad gewettiigd
wijhadden gewettiigd
julliehadden gewettiigd
zijhadden gewettiigd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal wettigen
jijzult wettigen
hijzal wettigen
wijzullen wettigen
julliezullen wettigen
zijzullen wettigen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gewettiigd hebben
jijzult gewettiigd hebben
hijzal gewettiigd hebben
wijzullen gewettiigd hebben
julliezullen gewettiigd hebben
zijzullen gewettiigd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou wettigen
jijzou wettigen
hijzou wettigen
wijzouden wettigen
julliezouden wettigen
zijzouden wettigen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gewettiigd hebben
jijzou gewettiigd hebben
hijzou gewettiigd hebben
wijzouden gewettiigd hebben
julliezouden gewettiigd hebben
zijzouden gewettiigd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijwettiig

Verbs similar to 'wettigen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From wettig (“lawful”) + -en (“-en”).

Additional Information