wateren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of wateren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: wateren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: waterend
Past participle - Verleden deelwoord: gewaterd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikwater
jijwatert
hijwatert
wijwateren
julliewateren
zijwateren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gewaterd
jijhebt gewaterd
hijheeft gewaterd
wijhebben gewaterd
julliehebben gewaterd
zijhebben gewaterd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikwaterde
jijwaterde
hijwaterde
wijwaterden
julliewaterden
zijwaterden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gewaterd
jijhad gewaterd
hijhad gewaterd
wijhadden gewaterd
julliehadden gewaterd
zijhadden gewaterd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal wateren
jijzult wateren
hijzal wateren
wijzullen wateren
julliezullen wateren
zijzullen wateren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gewaterd hebben
jijzult gewaterd hebben
hijzal gewaterd hebben
wijzullen gewaterd hebben
julliezullen gewaterd hebben
zijzullen gewaterd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou wateren
jijzou wateren
hijzou wateren
wijzouden wateren
julliezouden wateren
zijzouden wateren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gewaterd hebben
jijzou gewaterd hebben
hijzou gewaterd hebben
wijzouden gewaterd hebben
julliezouden gewaterd hebben
zijzouden gewaterd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijwater

Translations

  • water, to pour water into the soil surrounding (plants)
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • [...] getij op zijn hoogst was, terwijl ik met mijn riem mij nabij den wal hield, en digt bij eene streek vlakken grond, die ik verwachtte, dat het water bedekken zou, gelijk ook het geval was. Zoodra ik water genoeg vond (want mijn vlot had bijkans een voet diepgang, ) bragt ik het boven dien vlakken grond, en zette het daar vast door mijne twee gebroken riemen in den grond te steken, aan weerszijden [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch wateren, weteren, from Old Dutch *wateron, *weteren, from Proto-Germanic *watrōną, *watrijaną. Equivalent to water + -en. See: Old Dutch '*wateron'.

    Verbs referencing "wateren"

    Scots watter, English water, German, Pennsylvania wessre.

    Additional Information