vuren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of vuren

The word "vuren" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: vuren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: vurend
Past participle - Verleden deelwoord: gevuurd

Cognates

See the 2 cognates of vuren

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvuur
jijvuurt
hijvuurt
wijvuren
jullievuren
zijvuren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gevuurd
jijhebt gevuurd
hijheeft gevuurd
wijhebben gevuurd
julliehebben gevuurd
zijhebben gevuurd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvuurde
jijvuurde
hijvuurde
wijvuurden
jullievuurden
zijvuurden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gevuurd
jijhad gevuurd
hijhad gevuurd
wijhadden gevuurd
julliehadden gevuurd
zijhadden gevuurd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal vuren
jijzult vuren
hijzal vuren
wijzullen vuren
julliezullen vuren
zijzullen vuren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gevuurd hebben
jijzult gevuurd hebben
hijzal gevuurd hebben
wijzullen gevuurd hebben
julliezullen gevuurd hebben
zijzullen gevuurd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou vuren
jijzou vuren
hijzou vuren
wijzouden vuren
julliezouden vuren
zijzouden vuren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gevuurd hebben
jijzou gevuurd hebben
hijzou gevuurd hebben
wijzouden gevuurd hebben
julliezouden gevuurd hebben
zijzouden gevuurd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvuur

Verbs similar to 'vuren'

Translations

  • trigger, to fire a weapon
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • De soldaten vuurden hun geweren. (The soldiers fired their rifles.)
    • Hij vuurde een waarschuwingsschot af. (He fired a warning shot.)
    • Ze vuurde haar pistool zonder te aarzelen. (She shot her pistol without hesitation.)

    Etymology

    From Middle Dutch vuren (“to set on fire”), from Old Dutch *fiuron. Equivalent to vuur + -en. See: Old Dutch '*fiuron'.

    Verbs referencing "vuren"

    English fire.

    Additional Information