Infinitive - Onbepaalde wijs: voorliegen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: voorliegend
Past participle - Verleden deelwoord: voorgeliegd
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | lieg voor |
| jij | liegt voor |
| hij | liegt voor |
| wij | liegen voor |
| jullie | liegen voor |
| zij | liegen voor |
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb voorgeliegd |
| jij | hebt voorgeliegd |
| hij | heeft voorgeliegd |
| wij | hebben voorgeliegd |
| jullie | hebben voorgeliegd |
| zij | hebben voorgeliegd |
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | liegde voor |
| jij | liegde voor |
| hij | liegde voor |
| wij | liegden voor |
| jullie | liegden voor |
| zij | liegden voor |
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had voorgeliegd |
| jij | had voorgeliegd |
| hij | had voorgeliegd |
| wij | hadden voorgeliegd |
| jullie | hadden voorgeliegd |
| zij | hadden voorgeliegd |
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal voorliegen |
| jij | zult voorliegen |
| hij | zal voorliegen |
| wij | zullen voorliegen |
| jullie | zullen voorliegen |
| zij | zullen voorliegen |
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal voorgeliegd hebben |
| jij | zult voorgeliegd hebben |
| hij | zal voorgeliegd hebben |
| wij | zullen voorgeliegd hebben |
| jullie | zullen voorgeliegd hebben |
| zij | zullen voorgeliegd hebben |
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou voorliegen |
| jij | zou voorliegen |
| hij | zou voorliegen |
| wij | zouden voorliegen |
| jullie | zouden voorliegen |
| zij | zouden voorliegen |
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou voorgeliegd hebben |
| jij | zou voorgeliegd hebben |
| hij | zou voorgeliegd hebben |
| wij | zouden voorgeliegd hebben |
| jullie | zouden voorgeliegd hebben |
| zij | zouden voorgeliegd hebben |
| jij | lieg voor |