vitten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of vitten

The word "vitten" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: vitten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: vittend
Past participle - Verleden deelwoord: gevit

Cognates

See the 3 cognates of vitten

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvit
jijvit
hijvit
wijvitten
jullievitten
zijvitten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gevit
jijhebt gevit
hijheeft gevit
wijhebben gevit
julliehebben gevit
zijhebben gevit

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvitte
jijvitte
hijvitte
wijvitten
jullievitten
zijvitten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gevit
jijhad gevit
hijhad gevit
wijhadden gevit
julliehadden gevit
zijhadden gevit

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal vitten
jijzult vitten
hijzal vitten
wijzullen vitten
julliezullen vitten
zijzullen vitten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gevit hebben
jijzult gevit hebben
hijzal gevit hebben
wijzullen gevit hebben
julliezullen gevit hebben
zijzullen gevit hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou vitten
jijzou vitten
hijzou vitten
wijzouden vitten
julliezouden vitten
zijzouden vitten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gevit hebben
jijzou gevit hebben
hijzou gevit hebben
wijzouden gevit hebben
julliezouden gevit hebben
zijzouden gevit hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvit

Verbs similar to 'vitten'

Translations

  • nitpick, to correct minutiae or find fault
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Verbs referencing "vitten"

    Icelandic fitja.

    Additional Information